Een pleidooi voor alleen-zijn

Ik vind er zelf niet zoveel (meer) van. Of je nu beter in groepsverband functioneert en in het midden van de belangstelling staat, of dat je je energie uit je binnenwereld haalt en tijd voor jezelf, alleen, nodig hebt. Maar dat zeg ik nu. Ik heb heel lang gevoeld dat het ‘beter’ zou zijn om een groepsmens te zijn. Ergens bij te horen. Mee te doen in vriendenclubs, blij te worden van massa’s mensen op een plein, onderdeel uit te maken van wat-voor-groep-dan-ook. Ik voelde dat het niet echt heel cool was om te zeggen dat je ook heel graag alleen bent.

Mijn moeder vertelt over mij als meisje dat ik na speeldates verzuchtte: “Lekker hè mam, dan kan ik weer alleen spelen.” Geen spoor van ironie in te bekennen. Dat was ik. Nee, dat bén ik. En toch duurde het een flinke poos voordat ik dat weer durfde toe te geven.

Niet cool

Tijdens een les CMV bij mevrouw van Dijk in 4 of 5VWO was ik de enige die haar hand opstak bij de vraag wie liever thuis dan in de bioscoop een film keek. Daarna volgde een reeks argumenten uit wat voelde als de héle klas waarom het beter en leuker en mooier was om op groot scherm een film te zien. Tuurlijk, daar zit wat in. Maar wie noemt dan de krakende zakken chips, het donker waardoor mijn zenuwstelsel denkt dat ik ga slapen en dus ga zitten knikkebollen, en … hoeveel mensen heb je dan om je heen?

De filmavondjes thuis op de bank, met mijn moeder, na een ritje naar Videoland en eindeloos dralen voor kasten vol videofilms, vind ik nog steeds heerlijke herinneringen. Maar nee, de bioscoop, daarbuiten, daar gebeurde het. Thuis op een bank? Niet cool. Geen haar op mijn hoofd die dat destijds nog durfde te zeggen in die volle klas.

Nog zo’n voorbeeld. Na een half jaar op Mallorca te hebben gewerkt, vloog ik begin oktober 2004 naar huis. Ik wist wat ik het jaar daarop wilde gaan studeren, maar moest de tussentijd zien te doden. Ik belandde in een sollicitatiegesprek met de managers van Sissy Boy in de Kalverstraat en daar kreeg ik de vraag of ik ‘ook wel een beetje een teamplayer (het woord alleen al!) was’. Alles in mij en in die situatie zei dat hier maar één – sociaal wenselijk – antwoord was. Politiek correct heb ik er flink omheen gedraaid. Dat ik tijdens werk graag in een team functioneer en ik dat heel leuk vind, maar dat ik er in mijn vrije tijd voor koos om ook alleen individualistische sporten te ondernemen. Dat ik het beide in me had. Zoiets.

Ergens heb ik, in de loop der jaren en tal van zulke ervaringen rijker, in mij de overtuiging gecreërd dat het ‘beter’ is om onderdeel te zijn van een groep. Het kostte me bakken energie, maar hoe hoorde je anders ergens bij? Dus gedroeg ik me extravert. Nog steeds kom ik behoorlijk outgoing over. Ondertussen weet ik echter dat die slag naar binnen essentieel is. Dat dat alleen zijn, wat ik als klein meisje zo vanzelfsprekend deed, een wezenlijk deel is van wie ik ben.

…En toen kwam Corona

Ik denk dat de afgelopen tijd voor iedereen ‘iets’ heeft gedaan. Ten goede of ten slechte. Voor iedereen ontstond er een nieuwe realiteit gedurende de intelligente lockdown. En voor iedereen was die realiteit weer compleet anders.

Voor ons kwam het erop neer dat we de eerste 5 weken grotendeels binnen bleven. Mijn lief had allerlei symptomen die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid duidden op Covid-19. Ellendig genoeg an sich, maar niet zo ernstig om richting een IC te spoeden, gelukkig. Aangezien ik weken daarvoor had gehoest als een zieke zeehond en moe was tot in mijn tenen, maar ik niet getest werd – want niet in Italië geweest en geen koorts – leek het aannemelijk dat ook ik al iets van antistoffen moest hebben. Kinkhoest was ondertussen al uitgesloten namelijk. Ik was het dus die naar de supermarkt mocht. Joehoe.

alleen zijn als eerste levensbehoefte

Na die eerste weken en met het opkrabbelen van mijn lief, werd ik steeds ongezelliger, de eenzame uitstapjes naar de supermarkt ten spijt. Met Pasen barstte de bom. Het alleen-zijn, waar ik me na het niet-verlengen van mijn contract zo op had verheugd, was uitgebleven. We waren met zijn vieren aan huis gekluisterd. Met alle liefde en mooiigheid die het óók bracht, kwam ik tot de ontluisterende ontdekking: alleen zijn is voor mij blijkbaar net zo’n eerste levensbehoefte als eten en slapen.

Begrijp me niet verkeerd; ik ben ook heel graag samen. Met man en kinderen. Samen Met mijn familie. Gezellig Met vriend(inn)en. Collega’s vind ik op den duur ook weer heerlijk om me heen. Ik hou van gezellige borrels op een terras of in onze achtertuin.

Al moet ik eerlijk toegeven dat ik het nu een enorme luxe vind dat onze nieuwe keuken maakt dat ik roerend in pannen altijd in contact ben met anderen, en toch lekker mijn eigen plan kan trekken door me op het (voor-)bereiden van eten te focussen. Zonder echt heel ongezellig te zijn, want ik blijf in verbinding met wie er dan ook is. Lang leve de open keuken.

Het alleen zijn masteren

Als vierjarige al leek het me heerlijk om op kamers te gaan wonen. Niet omdat het thuis niet fijn was (juist wel!), maar omdat het idee van ‘geheel mijn eigen plan’ me zo aantrok. Nu die tijd van mijn studentenkamer ruim achter me ligt, kan ik met dezelfde weemoed terug-verlangen naar die kamer op de Fransestraat als dat ik er als vierjarige naar uitkeek. En als ik dan toch ooit zou gaan samenwonen, bedacht ik me later, wilde ik wel een eigen verdieping om me op terug te trekken.

Man, wat leek me dit afgelopen mei ineens heerlijk. Ja, ik heb een eigen werkkamer, en ja, daar staat mijn schildersezel. Ik heb een fijne e-reader en een digitale opslag met misschien wel duizend boeken. We hebben een heerlijk bad, en de fantastische vintage racefiets van mijn moeder staat hier geparkeerd omdat ie mij beter past qua formaat. mijn man gunt het mij meer dan hij zichzelf. en mijn kinderen zijn groot genoeg om zelfstandig te kunnen spelen als ik even boven ben.

Met het wegvallen van mijn baan en het uitbreken van deze Corona-crisis, bleek ik me heel lang heel prima te hebben ‘verscholen’ in mijn 32-urige werkweek. Bovendien had ik een heel individualistisch vak en regisseerde ik mijn agenda zelf. Welke moeder herkent het niet, dat z’n kind roept “ik zelf doen!” Ik heb dat principe gemasterd, zonder daarover iemand tekst en uitleg te hoeven geven. Nu was dat anders.

Natuurlijk was het niet voor het eerst dat ik dit ontdekte. Het accepteren van mezelf en daarmee ook tot inzicht komen dat introvert, met sterke hang naar autonomie en individualistisch handelen me niet tot stom wezen maken, was al een heel lang ongoing proces. Maar dat ik er dus werkelijk niet omheen kan, dat leerde deze tijd me ook.

DE FIJNSTE PLEK OM TE ZIJN? MET MEZELF.

En nu komt het. Wil je alleen zijn, dan moet je dat dus ‘gewoon’ dóen. Dan gaat het over het jezelf toestaan, het jezelf gunnen. Voorbij het schuldgevoel dat komt met de eerste keer dat je je kind hoort huilen. Of wanneer het dan ook inzet. Voorbij alle mitsen en maar-en en het idee dat je dan egoïstisch, zelfzuchtig bent. Ook als er geen vaste momenten zijn om naar de dansstudio te gaan om 1,5 uur te jazzballetten, of te schilderen in een atelier op maandagavond. Doe je het niet, doe ik het niet – laat ik het bij mezelf houden – dan is dat voor niemand leuk op de lange duur. En die lange duur duurt niet zo lang meer sinds Corona. Geef mij max. 24 uur van constant mensen om me heen plus een eindeloos mama-appèl en ik ontplof.

Het lijkt zo simpel, maar de hernieuwde ontdekking was een harde les. Sindsdien probeer ik het elke dag. Even alleen zijn. Sporten, lezen, badderen, koffie in de stad. Iets. En als vrienden nu de deur dichttrekken, ik kinderen en man naar boven bonjour voor een avondritueel, durf ik eindelijk weer toe te geven: “Lekker hè, dat ik nu weer alleen kan spelen.” En dat ik dan met mezelf praat? Dat is de fijnste plek om te zijn. Met mezelf.

Liefs, Femke

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.